Bijzondere Bouwwerken: Egchel

Elke kern in de gemeente Peel en Maas heeft van die gebouwen die niet weg te denken zijn. Gevoelsmatig zijn ze er altijd al geweest, ook al hebben ze misschien een geheel nieuwe bestemming gekregen. HALLO Peel en Maas dook in de archieven en zocht het verhaal achter die bijzondere bouwwerken. Zoals de Sint-Jacobus de Meerderekerk in Egchel, die pas na de Tweede Wereldoorlog tot stand kwam en symbool stond voor de zelfstandigheid van Egchel als parochie en gemeenschap.

De informatie over de Egchelse kerk is verkregen uit het boek ‘Van Achell tot Egchel’, geschreven door Egchelnaar Henk Thiessen.
Onafhankelijk volkje
De wens naar onafhankelijkheid leefde al in Egchel vanaf de twintiger jaren van de vorige eeuw. Egchelse kinderen gingen in die tijd namelijk in Helden-Dorp naar school, maar omdat de locatie van de nieuwe Odaschool veranderde, moesten de kinderen vanuit Egchel een kwartier langer lopen. Dit zorgde ervoor dat Egchel er naar verlangde een zelfstandige parochie te worden. Het duurde echter nog tot 1945 voordat er groen licht kwam voor het bouwen van een kerk en school in het dorp. Meteen werd een stichtings­comité opgericht en het hele dorp hielp mee met het inzamelen van geld voor het pastoorsfonds. Zo kon Egchel in 1946 benoemd worden tot het rectoraat Sint Jacobus, ter nagedachtenis aan de Egchelse priesterzoon kapelaan Jac Naus.
Na vele bestuursvergaderingen over de locatie van de kerk, besloot men uiteindelijk in maart 1947 om de kerk te bouwen op de grond van Egchelnaar Pierre Naus. De Egchelse bevolking hielp mee met het opknappen van de straat waarlangs de kerk kwam te liggen. Door middel van donaties, regionale collecties en geldinzamelingen kwam er genoeg geld ter beschikking om de bouw te realiseren. Rector Thomassen zamelde via zijn contacten in de hele regio geld en materialen in voor de kerk. De bisschop van Roermond voerde de eerste steenlegging uit op 18 januari 1948. De kerk werd op zondag 1 augustus van datzelfde jaar nog ingezegend door deken Jaspers, na een bouwperiode van in totaal acht maanden.
Ondergelopen kelder en nat kerkhof
De kerk werd eenvoudig gehouden, wat onder meer te merken was aan de kelder, waar wateroverlast is geweest. De lekkende kelder is tot in de jaren 80 het meest besproken onderdeel van de kerk geweest, zo merkt Henk Thiesen op in zijn boek. Het was zelfs zo erg dat schoolkinderen er soms wel drie keer per dag water uit moesten scheppen. In de jaren 60 kwam er een pomp om het water weg te pompen, maar pas zo’n tien jaar later werd de kelder echt waterdicht gemaakt.
De kelder werd tijdens een restauratie in de jaren 70 opnieuw ingericht als repetitie- en vergaderlokaal. Verder werden onder andere tegelvloeren vernieuwd, glas-in-lood-ramen hersteld, plafonds gerepareerd en de verlichting en bedrading vernieuwd. Niet alleen de kelder van de kerk, maar ook het kerkhof had te kampen met wateroverlast. De grafheuvels werden namelijk in 1981 vlak gemaakt en vanwege de hoge kosten werd toen afgezien van drainage. Een jaar later besloot men toch iets te doen aan het natte kerkhof. Het drainagesysteem kwam er alsnog, maar om kosten te besparen, werden de werkzaamheden zelf verricht.
Muurschildering achter altaar
Het meest karakteristieke van de Egchelse kerk is volgens Henk Thiesen misschien wel de muurschildering achter het altaar, die in 1951 voor een bedrag van 1.000 gulden werd gemaakt door H. Schoonbrood. Het is een afbeelding van Maria en Johannes, die aan weerszijden van het kruis geschilderd zijn met daaronder twee groepen mensen en boven het kruis twee musicerende engelen.
De kerk kent al sinds 1947 een eigen kerkkoor, dat in eerste instantie uit 24 mannen bestond. Pas 25 jaar later werd ook een dameskoor opgericht en de koren werden later samengevoegd tot een gemengd zangkoor. Ook is er even een kinderkoor geweest, dat in 1985 tien jaar bestond, maar enkele jaren later werd opgeheven omdat het verlegen zat om nieuwe leden.

Bron tekst + foto: Van Achell tot Egchel, Henk Thiessen, hoofdstuk 6, pagina 133 tot 153