GEPLUKT: Frans van Woggelum uit Koningslust

Voor de oorlog werd hij geboren in Den Haag, het grootste deel van zijn werkzame leven woonde hij in Rotterdam. De drukte moe, zocht hij naar rust. Die vond hij in Koningslust. Daar woont hij nu al ruim tien jaar met veel plezier. Deze week plukt HALLO Frans van Woggelum (88).


“We woonden met veel plezier in Rotterdam. José en ik. Twaalf hoog met uitzicht op de haven in de verte. Schitterend, de flat was als een dorp. Je kent niet iedereen, maar je komt regelmatig mensen tegen in de lift en zo leer je mensen kennen. De producten uit een gemeenschappelijk tuintje werden uitgestald op een tafeltje in de hal. Dat heb je ook in de stad.

Maar je zat elkaar wel dicht op de huid. Een buurman was bakker, maar had geen zin om vroeg op te staan. Dus hij deed eigenlijk niks. Hij ging graag naar het café, maar hij had geen geld, dus organiseerde hij zelf feestjes. En het was héél gehorig. Je kon wel zeggen: ‘doe eens wat zachter’, en dan deed hij het ook. Maar na een uur was hij het weer vergeten. Het was geen kwaadwilligheid, hij was gewoon zo.

En ook van andere buren hadden we overlast. Je moet denken: onze slaapkamer lag aan de galerij. En daar waren twaalf adressen. Dat is erg hinderlijk, vooral wanneer je ziek bent. José had fibromyalchie.

Het was vanwege die drukte dat we ons hebben ingeschreven bij verschillende woningbouwverenigingen in heel Nederland. Twee keer zijn we wezen kijken in Friesland of Groningen. En ook een keer bij Roermond. Maar vooral José wilde graag een tuin erbij. En hier hebben we twee tuintjes. Eén voor en één achter het huis. En we hebben hier natuur. Ja, het Kralingse Bos is ook mooi. Maar je loopt er gewoon in een file. Hier in het Vlakbroek kom je amper iemand tegen.

Konzagro

En het zijn lieve mensen hier in Koningslust. Ik ging bij Konzagro, het zangkoor, want ik wilde de mensen leren kennen en muziek maken. In Rotterdam speelde ik piano in twee gezelligheidsorkestjes. Een beetje als André Rieu, dat soort repertoire.

Na een tijdje mocht ik bij Konzagro ook piano spelen. Dat was erg leuk, maar mijn vingers werden steeds krommer. Ik speel nu nog steeds, hier thuis. Het liefst vreselijk klassiek. Maar ik heb niet meer de volle macht over mijn vingers. En met José ging het langzaam achteruit. Het werd voor mij moeilijker een avond weg te gaan. José kon me steeds slechter missen. Naast haar fibromyalchie kreeg ze ook borstkanker. In december is het drie jaar geleden dat José overleed.

Na het overlijden kreeg ik een kaartje van Konzagro. Dat ik altijd welkom was. Dat was zo lief. Want het is daar echt geen bejaardenkoor. Ik ben nu dus weer bij de club, maar ga alleen naar repetities. Die uitvoeringen duren me te lang. Dan moet ik de hele tijd staan.

Het is geweldig hoe ik in het dorp ben opgenomen. Twee keer in de week eten we met de ouderen in De Sprunk. Ik schep dan de soep op. Zo blijf ik toch een beetje zorgen voor de mensen. Want dat heb ik mijn hele leven gedaan. In Rotterdam werkte ik in de Pauluskerk van dominee Hans Visser. Laatst was hij hier nog op bezoek in Koningslust.

De Pauluskerk is het afvoerputje van de maatschappij. Ze vangen er verschoppelingen op. Mensen die teveel zuipen of naalden in hun eigen lichaam steken. En kleine criminelen die een ruitje inslaan om wat te jatten. Lastige mensen die niet passen in de maatschappij.

Later kwamen daar ook mensen bij die niks met criminaliteit te maken hadden. Ik herinner me een man uit Wenen die gescheiden was van z’n vrouw en nergens een plekje kon vinden. En er kwamen vluchtelingen. Daar was in de jaren tachtig nog niks voor georganiseerd. Dus bij ons kwamen de eerste Eritreeërs en andere Afrikanen. Ik nam contact op met de autoriteiten in Den Haag om te vragen of zo’n Eritreeër geen Nederlander kon worden. En dat gebeurde. Dat kon toen nog.

De mensen kregen bij ons koffie of thee en een maaltijd. Ze konden ook blijven slapen, al was het in een stoel. Voor het grootste deel waren het lastige mensen, maar ik behandelde hen gewoon als gelijke. Met respect. Ik ben geen stoere jongen. Ik heb geen spierballen en sla niemand. Er waren wel eens ruzies, maar ik heb nog nooit een klap gehad. Ik bied de mensen koffie aan met waardigheid. Door gewoon te doen en hen het gevoel te geven dat ze ook belangrijk zijn.

Misschien voel ik me daarom ook zo goed thuis hier. De Koningslusters gaan heel gewoon met me om. Ik ben natuurlijk een buitenstaander. Iedereen weet dat. Maar ze doen allemaal gewoon tegen me. Ik hoor er gewoon bij.”