GEPLUKT: Nel Derikx

Ze werkte meer dan 25 jaar in Afrika als verloskundige en zette samen met haar Malinese man een school voor verloskundigen op. Terug in Meijel staat ze voor iedereen klaar, zamelt geld en spullen in voor een weeshuis in Niger en gaat twee dagen naar Almere om te babysitten bij haar kleinzoon. Deze week plukt HALLO Peel en Maas Nel Derikx (76) uit Meijel. We mogen haar niet neerzetten als weldoener.

“Na 25 jaar in Niger te hebben gewoond kwam ik in 2000 terug in Meijel. Ik weet het nog goed. Ik keek naar het vragenuurtje in de Tweede Kamer op tv. Of onze minister van buitenlandse zaken er niet eens bij zijn collega in Canada op kon aandringen om te stoppen met het doodknuppelen van zeehondjes. Ja, daar stond ik wel van te kijken. Begrijp me niet verkeerd. Ik ben daar ook tegen. Maar in Afrika worden vrouwen geslagen en gaan kinderen dood aan relatief eenvoudig te verhelpen ziektes. Dan denk ik: waar zijn we mee bezig?

Alles wordt hier weggegooid. Terwijl daar alles opnieuw wordt gebruikt. Van een leeg conservenblik maken ze een zeefje. De verspilling hier is verschrikkelijk. Het was net voor de winter, ik had nieuwe schoenen nodig. Ze vroegen 200 gulden. Ik zei: ik vind 50 gulden ook wel genoeg. Stuurden ze me naar de Schoenenreus. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om dure dingen aan te schaffen. Want 200 gulden, dat zijn drie keizersneden.

Ik heb altijd in de verloskunde gewerkt. Bij de verpleegstersopleiding in Roermond behaalde ik een kraamaantekening en een kinderaantekening. Specialisaties noemen ze dat tegenwoordig. Ik heb een tijd in Tegelen gewerkt en deed daarna de vroedvrouwenopleiding in Heerlen.

In die tijd had ik een vriendje. Hij is met mijn zusje getrouwd. Ik zag een advertentie staan voor een vroedvrouw in Afrika en ik dacht: voor mij heeft het leven hier toch minder zin. En zo kwam ik voor het eerst in Afrika terecht. Tweeënhalf jaar was ik in Ivoorkust. Ik was eerst een tijdje ziek. Geelzucht. Daarna heb ik in Geleen op de eerste hulp gewerkt. In die tijd kwam die droogte in de Sahel in het nieuws. Ze zochten medisch personeel en zo kwam ik in Niger in een vluchtelingenkamp waar ik bijna 25 jaar heb gewerkt. Als verloskundige op het platteland in Afrika doe je alles wat een gynaecoloog doet. Er zijn nu eenmaal weinig voorzieningen. Niger is 33 keer zo groot als Nederland en het grootste deel is woestijn. Dorpen liggen vaak 250 kilometer van een ziekenhuispost. Maar voor een keizersnede moet je naar het ziekenhuis en dat is vaak 500 kilometer verderop.

In Niger heb ik ook mijn man leren kennen, die nu zes jaar is overleden. Hij kwam uit Mali, gaf les in Ouallam, het dorpje waar ik werkte. Het was zijn plan een verloskundigen­opleiding te beginnen. Zo zijn we met een paar collega’s begonnen. Het werd gefinancierd door Unicef en de Wereldgezondheidsorganisatie van de Verenigde Naties.

We hebben een heel nieuwe opzet geïntroduceerd. Verloskundigen mochten in Niger alleen voorbereidingen treffen en begeleiden, maar alleen de gynaecoloog deed de bevallingen. Dat was het Franse systeem. Niger is een Franse kolonie geweest. Maar dat systeem is niet echt toegespitst op de situatie. We hebben het Nederlandse concept daar kunnen invoeren. Zo heb ik daar 15 jaar gewerkt als praktijkdocent en coördinator.

Maar mijn contract liep af. Nederland wil geen ontwikkelingswerk meer doen in Niger. Ik vind het jammer. Ik zie liever dat ze alles wat eerlijker verdelen in de wereld.

Ik heb één zoon van 40 en in maart ben ik voor het eerst oma geworden. Mijn zoon is in Nederland geboren, maar heeft 18 jaar in Niger gewoond. Toen wij nog daar woonden, ging hij hier op kamers. Eerst in Eindhoven, daarna in Parijs. Nu woont hij in Almere. Hij werkt in Lelystad bij Imres, een medische firma die verkoopt aan ontwikkelingslanden.

Hij heeft het druk, elke week mag ik twee dagen oppassen. Dan ga ik er op maandagavond heen, op woensdagmiddag ben ik weer terug. Dus heb ik het ook druk. Met babysitten, maar ook met andere zaken. Zoals het zorgcentrum in Meijel. Bij het Eetpunt verzorgen we elke twee weken een maaltijd. En ik werk als vrijwilliger voor een huiskamerproject waar ik ga wandelen met mensen in een rolstoel of andere activiteiten organiseer. En ik help bij de algemene hulpdienst. Daar doe ik boodschappen voor mensen, ik begeleid ze naar het ziekenhuis of we gaan wandelen en buurten. Gewoon om te voorkomen dat ze vereenzamen.

Elke zondag ga ik kienen in de Binger. En ik help bij de Fancy fair. Want de opbrengsten gaan ook naar mijn project: een weeshuis in Niger. Daar kwam ik mee in aanraking toen ik daar werkte en daar zamel ik nog steeds geld en spullen voor in.

Veel mensen overlijden aan aids, dus er zijn veel weeskinderen. We proberen hun opleiding te betalen. Sommigen studeren recht of medicijnen, anderen volgen praktische opleidingen als administratie of computeropleidingen.

Ik krijg veel ondersteuning vanuit het dorp. Van het rommelcomité dat de jaarlijkse rommelmarkt organiseert. En van Ontwikkelingswerk Meijel krijg ik ook elk jaar geld. 4.000 euro dit jaar, dankzij opbrengsten van de fancy fair, de loterij en kienavonden.

Maar zet me niet neer als weldoener. In Nederland zijn ook ontzettend veel mensen die goeie dingen doen. Op welke manier dan ook. Mijn zusje Miep uit Panningen bijvoorbeeld die voor haar negen kinderen zorgde en veel op school hielp en zieke mensen bezocht. Met 40 kreeg ze al kanker, ze bleef optimistisch in het leven staan maar overleed al op 45-jarige leeftijd. Ik kom elke dag mensen tegen die zich inzetten voor anderen en voor de samenleving. Om goed te doen hoef je niet naar Afrika. Iedereen kan op het plekje waar hij woont de wereld een beetje beter maken.”