Serie: 75 jaar vrijheid (1/11) 'Tante Marie' van de onderduikers

De provincie Limburg viert dit jaar 75 jaar bevrijding. In november 1944 werden de Duitse bezetters uit Noord-Limburg verdreven. Ook in Peel en Maas liet de oorlog haar sporen na. HALLO Peel en Maas ging op zoek naar persoonlijke verhalen van inwoners die de oorlog zelf meemaakten. Zodat hun herinneringen herinnerd blijven voor volgende generaties. In deze aflevering: de Baarlose Marie Dirkx (102), die als jonge vrouw onderduikers onderdak bood en regelmatig Duitsers af moest wimpelen.

Maria Dirkx-Zeetsen uit Baarlo, door bekenden Marie genoemd, werd op 20 februari 1917 geboren. Toen Nederland in 1940 capituleerde en de Duitse bezetting begon, was Marie 23 jaar. Samen met haar man Wiel en diens broer Graad, die in het verzet zat, hielp ze in de laatste jaren van de oorlog onderduikers die op weg waren naar een veilig onderkomen in Zuid-Limburg of België. Om hen te beschermen, moesten ze de bezetters soms te slim af zijn.

Ruim 75 jaar woont Marie nu in het huis aan de Napoleonsbaan Noord in Baarlo. Het is het ouderlijk huis van haar man Wiel Dirkx, die daar op 8 april 1913 geboren werd. “Ik ben bij Wiel ingetrokken nadat we in oktober 1943 zijn getrouwd”, vertelt Marie.

Verstoppen achter badkamerluik

Tijdens de oorlog waren er veel jonge mannen onderweg van ‘Holland’ naar het zuiden van Nederland en België, waar ze onder wilden duiken. Marie: “Wiel dook in die tijd ook regelmatig onder, omdat hij anders in Duitsland aan het werk gezet zou worden. Als er Duitsers in de buurt of aan de deur kwamen, vloog Wiel naar de badkamer. Achter een kast was een luik dat naar een kleine ruimte leidde. Daar verstopte hij zich dan.”
Wiels oudere broer Graad woonde in de oorlog bij Marie en Wiel in om te herstellen van tuberculose. Ondanks dat hij veel op bed moest blijven, besteedde hij zijn oorlogstijd uiterst nuttig. “Hij zat bij het verzet en had goede contacten met pater Govaert, die in het verderop gelegen klooster De Berckt woonde. Ook die was in de oorlogsjaren erg actief in het verzet en hielp regelmatig onderduikers. In het noordelijke buitengebied van Baarlo woonden toen nog niet zoveel mensen, waardoor wij de eerste buren van hen waren.”

‘Pater Govaert smokkelde onderduikers’
Door de goede contacten met pater Govaert kwam het dat Marie, Wiel en Graad tijdens de oorlog onderdak boden aan zo’n tien onderduikers, waaronder verschillende Nederlanders en een Rus. “Wij werden een tussenstation”, aldus Marie. “Pater Govaert smokkelde de onderduikers van Amersfoort naar ons, wij verzorgden ze een tijdje en daarna zorgde pater Govaert er weer voor dat de jongens in België kwamen.” De onderduikers verbleven op de grote zolder van het huis aan de Napoleonsbaan in Baarlo. Daar waren twee slaapkamers waar ze muisstil moesten zijn om niet ontdekt te worden.

Eén van de onderduikers kan Marie zich nog goed herinneren. “De meeste onderduikers bleven niet lang bij ons. Op Piet van der Knaap uit Naaldwijk na. Hij woonde de laatste jaren van de oorlog bij ons. Piet was maar vijf jaar jonger dan ik en toch noemde hij me altijd ‘tante Marie’. Hij hielp mee op het land met aardappelen en groenten rooien en de varkens verzorgen. Het was ook een snelle jongen. Als er Duitsers in de buurt kwamen, lag hij zó in de greppel bij het klooster waar hij zich kon verstoppen.”

Duitsers wegjagen
Marie en Wiel woonden in een gebied waar veel Duitse soldaten rondliepen. “En die konden zomaar op de stoep staan.” Om de onderduikers en Wiel in zulke gevallen te beschermen, moest Marie de Duitsers te slim af proberen te zijn. Eén keer stonden enkele Duitsers plotseling op de stoep. Wiel had geen tijd om zich geruisloos in zijn schuilplek te verstoppen. “In de zomer van 1944 was ik net bevallen van onze eerste dochter, Ine. Om de Duitsers weg te jagen, ben ik op een stoel in de gang voor de deuropening gaan zitten terwijl ik haar de borst gaf. Wiel verstopte zich achter de stoel. De soldaten maakten de deur open, zagen mij zitten en gooiden van gêne en schrik de deur snel weer dicht.” Het gevaar was geweken.

Marie en Wiel hadden een tijdje een varken, dat ze vetmestten om het later te kunnen slachten. Totdat op een ochtend twee Duitse soldaten op de stoep stonden. “Ze wilden ons varken in beslag nemen en zouden haar om 13.00 uur ophalen.” Toen de Duitsers eenmaal uit zicht waren, joeg Wiel het dier weg. Het bos in, richting het klooster. “Eenmaal terug vroegen de soldaten waar het varken was gebleven. Ik zei dat ze al was opgehaald door andere soldaten. Ze gingen woedend weg. Hadden we het varkensvlees toch lekker voor onszelf”, vertelt Marie grinnikend.

Toen de oorlog in ‘Holland’ voorbij was, keerde Piet terug naar huis. Marie zag hem ook daarna nog regelmatig. “Ik gaf hem een ‘rol schink’ mee voor onderweg. Jarenlang zagen we elkaar twee keer per jaar. Zijn vrouw is in 2017 overleden en hij heeft dementie, dus kent mij waarschijnlijk niet meer terug. Mijn leeftijd en fysiek laat het niet meer toe om hem te bezoeken. Jammer, want ik zou hem graag nog eens willen zien.”

Tekst en beeld: Rob Dieleman