SERIE 75jrBEVRIJD: De familie Peeters is nog niet uitgepraat…

Al werd er niet over gesproken, ook een volgende generatie draagt de oorlog met zich mee. De familie Peeters in Helden heeft de oorlog niet bewust meegemaakt, er werd thuis amper over gepraat. Toch zijn de verhalen gebleven.

Ze waren met negen. De kinderen van Driekes Ties en Mie van Sillen Cobbe Hein. Het gaat hier over de familie Peeters die na de oorlog aan de Egchelseweg 8 woonde.
Nu zitten ze met zes om tafel: An, Thea, Thijs, Bert, Henk en Lies. An en Lies waren de oudsten. An is geboren op 18 april 1943, Lies op 22 februari 1945. In de Randstad was de hongerwinter nog in volle gang, de gemeente Helden was toen echter al drie maanden bevrijd.
Niemand van hen heeft de oorlog bewust meegemaakt. Toch heeft die tijd een blijvend stempel gedrukt op het gezin. Al werd er nooit over gepraat. Of misschien daarom juist: het is nooit uitgepraat.

Speciaal voor HALLO praten ze nu over de oorlog. Aanleiding was een eigenhandig geschreven verhaal van moeder over de laatste maanden van de oorlog in een notitieboekje. Ze praten makkelijk. Het is familie onder elkaar en ze hebben een hechte band. Toch klinkt het regelmatig: “Dat heb ik nog nooit gehoord.” Of: “Is dat echt waar?”
Het is tekenend voor de familie. Over de oorlog werd zelden gepraat. Er werd überhaupt weinig gepraat. “Het was armoede. Het was hard werken om rond te komen”, vertelt Bert over de naoorlogse periode. Lies vertelt dat ze haar vestje binnenstebuiten had gedraaid en versteld, zodat ze weer een nieuw vestje had. “Moeder was altijd aan het kleren verstellen”, herinnert Thea zich. “Op de foto’s van mijn communie heb ik hetzelfde kleedje aan als Lies of An. Maar dan met stiksels eraan.” En Thijs weet te vertellen dat manchesterbroeken drie keer werden geverfd. “Met notenbasten en uienschillen.”

Vader, zo vertellen ze, was een fietsekèrkesboor. Een boer die moest zien rond te komen van wat hij op het land verbouwde. Groent en fruit. Aardbeien, asperges, witlof… En wat varkens en kippen. Met een fietskar bracht hij alles naar de veiling. Het was slechte grond. En weinig. Want alle grond moest tussen de kinderen verdeeld worden. Hij kwam uit een gezin met zes kinderen. “En nu moesten we daar met z’n elven van leven”, legt Bert uit.

Bedelen bij de boeren

Vader was geen prater. “Ja, soms, als hij in het café zat. Dan verbaasde ik me dat hij zo goed kon praten”, vertelt Lies. “En met zijn compagnons uit Viersen”, vult Thijs aan. “Ik weet nog dat er een reünie was bij ons in de goede kamer.”
Ja. Heel soms werd er thuis over de oorlog gesproken. “Ik weet nog dat we ’s avonds met eten heel lang zaten te praten. Toen moesten we om tien uur nog de afwas doen”, zegt Annie.

Het waren oorlogsverhalen om van te smullen. “Ik weet nog dat ik dacht, ‘werd het nog maar eens oorlog’”, lacht Bert. Enigszins beschaamd. Want het was een verschrikkelijke tijd. Vader was in Viersen tewerkgesteld. Het was heel riskant, weet Thea. “Ze zaten in een Feldschule, die werd door de geallieerden gebombardeerd.”

Om rond te komen, moesten ze gaan bedelen bij de boeren, weet Henk. “Voor wat wortelen en koolraab.” Thijs weet: “Ze gingen sjuupen in de huizen. Ze maakten de flessen van de inmaak open en staken de pruimen los in de zakken. Alles om zichzelf in leven te houden.” En aan het eind van de oorlog, toen de Amerikanen oprukten, werden vader met zijn compagnons de Rijn over gedreven, waar ze ingesloten raakten, vertelt Bert.

Huis vol Tommies
Vader werd tijdens de kerkrazzia meegenomen. “Hij had zich in de biechtstoel verstopt. Na een paar uur is hij gaan gluren. Toen is hij alsnog betrapt en meegenomen.” Dat was een maand voor de bevrijding, weet Bert. “In oktober was de razzia. Op 18 november is Panningen bevrijd. Maar moeder heeft nog tot april op hem kunnen wachten.”

Het zou Lies niet verbazen, of vader had een trauma opgelopen tijdens de oorlog. “Als je ziet wat hij had meegemaakt, en hoe verzwakt hij was thuisgekomen. En hoe ze moesten schnabbelen om rond te komen.”
Het was verschrikkelijk. Niet alleen voor vader, maar ook voor moeder die er op het boerenbedrijf helemaal alleen voor stond. Met een kind van 2 en in verwachting van de tweede. En dan een huis vol Tommies. “Stel je voor”, vertelt An. “Met tweehonderd Tommies in huis die in Venlo moesten vechten. En dan ook nog de boerderij helemaal alleen runnen.”

Tweehonderd Engelse soldaten zaten in huis. Op de hooizolder, in de veestal, overal. En dan werden er nog kinderen gebracht. Dat het joden waren, dat realiseerden ze zich niet. Het waren kinderen, die moesten gewoon geholpen worden. “In Helden was 20 procent van de mensen onderduikers”, weet Thijs.
De oorlog hebben ze niet bewust meegemaakt. Maar het zit er wel nog in. Vooral de zuinigheid die tot ver na de oorlog bleef hangen. En praten over de oorlog hebben ze nooit veel gedaan. “We gingen allemaal onze eigen weg”, zegt Lies. En Thijs: “Sociale vaardigheden hebben we eigenlijk nooit meegekregen.” Bert vindt het te ver gaan om alles aan de oorlog toe te schrijven. “Ik denk dat het ook een karaktertrekje is.”

En het ligt aan de tijd, meent Thijs. “Het was toen gewoon zo. De afstand tussen ouders en kinderen was groter. Je durfde niet zomaar alles te vragen. En het was de tijd van wederopbouw. Over de oorlog werd niet gepraat. We moesten vooruit. Kijken naar de toekomst.”
Maar tijden zijn veranderd. En de familie Peeters is nog lang niet uitgepraat.

Tekst en beeld: Marc van der Sterren