Erepenning voor Ome Sjeng in Canada

In zijn woonplaats Donnacona in Canada ontving Sjeng Janssen een medaille en een erecertificaat van de Royal Canadian Legion voor zijn betrokkenheid bij het Nederlandse verzet. Janssen werd vanaf 17 mei 1944, na een inval door de Duitsers ‘duikhoofd’ in Egchel, ofwel eindverantwoordelijke voor een groep onderduikers.

Sjeng Janssen, beter bekend als Ome Sjeng, woonde in de oorlogsjaren op de Keup. Op de boerderij van de familie Janssen zaten 24 onderduikers uit heel Limburg die zich verstopten voor de ‘Arbeidseinzats’. Regelmatig verrichtte Sjeng hand- en spandiensten voor Wim Schaareman, het duikhoofd van Egchel.
Op de dag dat Schaareman werd gearresteerd, kwamen de Duitsers ook op de Keup, zo beschrijft Henk Thiessen in zijn boek ‘Van Achell tot Egchel’. De onderduikers op hun boerderij sloegen op de vlucht, één van hen, Paul Hawinckels uit Swalmen, vergat in zijn haast zijn jas met persoonsbewijs. Toen Sjeng de jas ging nabrengen, werd hij door vijf Duitse soldaten met handmitrailleurs beschoten, maar niet geraakt.
Na de arrestatie van Schaareman nam Sjeng de opengevallen plaats als duikhoofd in. Een knokploeg overviel voedselbureaus voor bonnen. Een ander team moest de bonnen onder de onderduikers verspreiden. Het was Sjengs taak de verdeling te coördineren. In en om Egchel bracht hij de bonnen zelf rond. Ook bracht hij boterhammen naar Engelse soldaten.

Gebalde vuist
In 1953 emigreerde Sjeng naar Quebec. Uit teleurstelling, zo vertelt hij in het boek ‘het Zakdoekje: een zoektocht naar het verzetsverleden van mijn moeder’, geschreven door Gé Reinders. Sjeng was een zwager van Reinders vader.
Volgens Sjeng werd de wereld na de oorlog helemaal niet beter. Na de bevrijding werden collaborateurs in Helden bijeengebracht in een danszaal waar één van de verzetsmensen een NSB’er herhaaldelijk recht in z’n gezicht sloeg met een gebalde vuist, tot bloedens toe. ‘Daar hebben we toch niet voor gevochten’, dacht Sjeng.

Tekst: Marc van der Sterren