Buuttekampioen Thijs Wijnen verraste publiek

De Maasbreese Thijs Wijnen wist in februari op 13-jarige leeftijd de titel buuttekampioen binnen te slepen met zijn buut ‘Tumpke geit op snuffelstage’. Hij blikt terug op het moment dat hij nooit zal vergeten.

“Ik heb heel veel felicitaties gekregen, iedereen vond het keileuk,” vertelt Thijs vol trots. Hij deed in 2020 voor de tweede keer mee aan de kampioenschappen van het LVKA. In 2019 werd hij derde. In de voorbereiding van zo’n buut zit aardig wat tijd en voorbereiding. “Eerst moet je dan een buut maken, en daarna is het gewoon heel veel oefenen en de kleding maken, enzovoorts”, legt Thijs uit. Voor het schrijven van de buut kreeg hij hulp van Wiel Zeel en Twan Smets. “Op de dag van de buuttekampioenschappen ga je ernaartoe. Eerst gaat dan de jeugd, dan is het pauze, en na de pauze komen de jongerenbuuttekampioenschappen. Dan moet je gewoon wachten tot je aan de beurt bent, je buut doen, en na afloop hoor je hoeveelste je bent geëindigd.” Een erg spannende, zenuwslopende ervaring zou je zeggen, maar van trillende handjes heeft Thijs geen last. “Dat valt wel mee.”

De overwinning springt er bij de terugblik op het afgelopen jaar wel uit. “Het is gewoon een leuke ervaring om te winnen.” Ook bij de Maasbreese carnavalsvereniging D’n Hab waren ze blij verrast door de buut. Zo erg dat ze spontaan besloten Thijs uit te nodigen bij de prinsenreceptie van het dorp. “Dat was keileuk. Ik mocht daar gewoon naast staan en dat gebeurt volgens mij niet erg vaak. Dat is wel echt bijzonder.”

In februari vertelde Thijs dat hij graag vaker mee zou willen doen, maar carnaval gaat dit jaar niet door en dus de buuttekampioenschappen ook niet. “Aan de ene kant is het wel jammer, maar aan de andere kant hoef je niet de hele tijd te oefenen. Als het door zou gaan, dan was ik in december begonnen met oefenen.” Hoe zit het dan met de jaren die volgen? “Dat weet ik nog niet, dan zit ik in het examenjaar.” 2023? “Dat weet ik ook nog niet”, lacht hij. “Het lijkt me wel leuk om in de toekomst nog vaker mee te doen.”

Tekst: Koen van Meijel

Beeld: Harold Schroijen